Navigatie overslaan
Sluit je aan

Gratis inloggen

Praat mee op onze sites, beheer je gegevens en abonnementen, krijg toegang tot jouw digitale magazines en lees exclusieve verhalen.

Door in te loggen bevestig je dat je de Algemene Voorwaarden en Privacyverklaring van de EO hebt gelezen en begrepen.

Hulp nodig?

Check de veelgestelde vragen.

Uitgelichte afbeelding

‘Dan zal je licht in het donker schijnen’

vandaag · 14:25

Update: vandaag · 14:31

Wie doet het licht uit? Het is de pijnlijke vraag op veel kerkplekken in Nederland. Elke week sluiten kerken hun deuren. Op talloze andere plaatsen kleurt de toekomst somber donker, maar die donkerte betekent niet het einde.

Jesaja spreekt over licht dat weer kan ‘aangaan’, zoals prachtig verwoord in het lied ‘Licht aan’, gezongen door Kees Kraayenoord op het gelijknamige album van Schrijvers voor Gerechtigheid.

In dit gedeelte klinkt stevige kritiek op vasten als middel om de crisis af te wenden. We bevinden ons hier midden in een goddelijke aanklacht tegen een uitgeholde religieuze praktijk: jezelf voedsel ontzeggen als teken van inkeer, terwijl de zorg voor mensen in nood wordt vergeten. Waar is de “medemens”? Zij die van hetzelfde vlees zijn als jij – klinkt het in vers 7 – maar die je ontzegt wat hun lijf nodig heeft: bevrijding uit slavernij en schuld, en voeding, kleding, huisvesting en aandacht. Soms moet eerst het licht uit of wat afsterven voor er weer leven mogelijk is.

Het licht gaat aan daar waar de toewijding aan God wordt verbonden met het omzien naar een ander: “dan zal je licht in het donker schijnen”. Jesaja koppelt geestdrift aan recht en spreekt van herstel. Hij kijkt voorbij de tragedie van de ballingschap: een tijd waarin het licht in de tempel uitging, Jeruzalems muren afgebroken werden en men verstoken was van de Gichonbron.

Mogen wij dan jammeren over de afbraak van ons werk?

Herstel vereist soms afbraak, volgens Jesaja. Zoals mensen in de stad bezwijken onder de elite, zo zullen de muren van de stad bezwijken onder het oordeel van God. De taal van stenen en muren in vers 12 verwijst naar de herbouw van het leven met God en de geestelijke vernieuwing.

In een ontroerende en profetische brief schrijft Dietrich Bonhoeffer in mei 1944 vanuit de gevangenis aan zijn pasgeboren peetzoon ‘Dietrich’, die wordt gedoopt. Over de schoudertjes van dit jongetje kijkt Bonhoeffer vooruit naar de toekomst van de kerk in een land dat zich uitgeleverd heeft aan valse machten. Er moest daarom afgebroken worden, zodat er iets nieuws kon ontstaan: “Als de Schepper zelf zijn werk afbreekt, mogen wij dan jammeren om de afbraak van ons werk?”

Zondag 6 april is het ‘zondag judica’: “verschaf mij recht!” Een zondag waarin wij tot inkeer komen. Het drama van Ter Apel, onze doorgedraaide consumptie-economie, megastallen en de toenemende armoede in ons land dwingen ons tot bezinning. We kunnen bidden voor herstel van de kerk en om een opwekking, maar Gods eer laat zich niet los zien van onze zorg voor de medemens. Er moet iets in ons sterven. Onze zelfgerichtheid. De kerk is van nature een sterfhuisconstructie. Maar zelfs als het licht uitgaat, blijft er hoop. Zoals een theoloog onlangs verwoordde: “God heeft wel wat met dood en opstanding.”

De weergave van deze video vereist jouw toestemming voor social media cookies.

Toestemmingen aanpassen

      Deel dit artikel:

      Meest gelezen

      Lees ook